Wanneer is genoeg, genoeg?
Wanneer stond je voor het laatst stil?
Niet letterlijk, maar echt. Stil.
Wanneer voelde je jezelf gegrond – rustig, aanwezig in je lichaam?
Weet je dat nog?
We rennen.
Iedere dag weer. Van afspraak naar afspraak, van verplichting naar verplichting.
We werken te veel, slapen te weinig, praten vluchtig, voelen zelden.
We noemen het “gewoon druk”, maar diep vanbinnen weten we dat het niet gewoon is.
Het is uitputtend.
We leven in een wereld waarin haast de maatstaf is geworden.
Waar “druk zijn” een soort medaille is, en stilte bijna niet meer voorkomt.
Een weekend zonder plannen? Saai.
Een dag zonder productiviteit? Verspild.
En dus vullen we alles: de agenda, het hoofd, het hart.
Tot er geen ruimte meer overblijft om te zijn.
We lachen het weg. “Zo ben ik nou eenmaal.”
We zetten koffie op koffie, alsof energie te koop is.
We grijpen naar drank, nicotine, schermen, suiker – alles wat ons even laat vergeten hoe we ons voelen.
En we noemen het ontspanning, terwijl ons lijf schreeuwt dat het dat niet is.
En nog doen we er niks aan.
We voelen het wel.
De gespannen rug.
De gejaagde ademhaling.
De moeheid, elke dag weer.
Maar we duwen het weg. Want stoppen voelt als falen.
Wanneer is genoeg, genoeg?
Wanneer word je wakker en zeg je:
Tot hier. En niet verder.
Kunnen we een ander pad bewandelen?
We mensen zijn gewoontedieren. We blijven de paden volgen die we kennen, zelfs als ze ons allang niet meer dienen.
Denk aan een bos: het pad dat je vaak bewandelt, is vrij, vertrouwd, makkelijk begaanbaar.
Maar dat betekent niet dat de andere plekken geen paden kunnen worden.
Je moet ze alleen een paar keer lopen voordat ze zichtbaar worden.
Zo werkt het ook in ons leven.
We blijven handelen, denken, werken zoals we altijd deden, niet omdat het goed voelt, maar omdat het bekend voelt. We herhalen, dag na dag, dezelfde patronen: te veel werken, te weinig rusten, te vaak ja zeggen, te weinig luisteren.
We weten dat het ons leegtrekt, maar we blijven lopen waar het platgetreden is.
Misschien is het tijd om het bos in te stappen.
Om letterlijk in beweging te komen.
Om te voelen hoe wandelen, sporten of ademen je lichaam weer opent.
Want elke nieuwe stap – fysiek of mentaal – maakt het pad vrijer, lichter, meer van jou.
We zijn de kunst van het zijn kwijtgeraakt.
Even uit het raam staren.
Zwijgen.
Ademen.
Je laten dragen door de stilte zonder dat je iets hoeft op te lossen.
In plaats daarvan zoeken we rust buiten onszelf: in prestatiedrang, in anderen.
Maar echte rust zit niet in de wereld om je heen.
Ze zit in jou.
In je lichaam, dat al die tijd al weet wat je nodig hebt:
adem, rust, ruimte, beweging, aanraking, stilte.
Soms begint rust niet met zitten, maar met bewegen – sporten, rekken, voelen dat je lijf warm wordt en weer meedoet.
Je hoeft geen marathons te lopen.
Soms is één bewuste training al genoeg om uit je hoofd te komen en terug te keren in je lichaam.
Maar dan moet je het wel durven: jezelf weer voelen in dat lijf dat je zolang hebt genegeerd.
En de angst voor stilte dan?
We zijn bang om stil te vallen.
Bang voor wat er dan naar boven komt.
Welke gedachten, welke gevoelens, welke waarheid je misschien te lang hebt genegeerd.
En dat is spannend, ja.
Want wat als de stilte iets laat zien wat je liever niet onder ogen komt?
Wat als je dan moet toegeven dat je leven vol is, maar misschien niet vervuld?
Maar eerlijk: wie hou je dan voor de gek?
Zoals Eckhart Tolle zo prachtig beschreef in De kracht van het Nu:
“Het huidige moment is alles wat je ooit zult hebben.”
En misschien is dat precies waar het begint –
niet in gisteren, niet in morgen,
maar in het hier, in het nu.
Waar je lichaam weer mag bewegen.
Waar je adem zakt.
Waar je eindelijk weer kunt zijn.


